Het roer moet om voor de instandhouding van bossen

  • July 24, 2020
150 150 Landelijk Netwerk Bossen-en Bomenbescherming

Samenvatting  – bron: Eef Arnolds

In het rapport worden de huidige bossen in Nederland voorgesteld als niet vitaal, kwetsbaar, niet veerkrachtig, onvoldoende divers en onnatuurlijk. Het bos moet in alle opzichten ‘verbeterd’ worden. Dat doet tekort aan de autonome herstel- en ontwikkelingskracht van de huidige bossen. Dat er momenteel zoveel levenskrachtige bossen in Nederland zijn, ondanks vele ongunstige milieuveranderingen en bosbouwkundige ingrepen, bewijst de natuurlijke veerkracht en vitaliteit van bestaande bossen. Een noodzaak om de vitaliteit van het bos te versterken is er niet. Kennelijk wordt de nadruk op dat aspect ingegeven door andere, niet nader genoemde motieven.

Vitale bossen moeten volgens de auteurs een reeks ecosysteemdiensten leveren en zij moeten bestand zijn tegen een scala aan catastrofale voorvallen, zelfs aan onvoorspelbare ontwikkelingen. Het is niet realistisch om aan bossen zulke hoge eisen te stellen. Het is nog minder realistisch om ervan uit te gaan dat wij als mensen in staat zijn om te bepalen hoe we bossen kunnen inrichten om de eerstkomende 100 jaar aan elke rampspoed het hoofd te bieden.

Een alternatief uitgangspunt is om het bos zich langs natuurlijke weg verder te laten ontwikkelen, waarbij wij kunnen profiteren van de ecosysteemdiensten die het ons kosteloos biedt.

*Eef Arnolds, Holthe 21, 9411 TN Beilen, eefarnolds@hetnet.nl
Dr. E. Arnolds is voormalig hoofddocent Bosecologie aan de toenmalige Universiteit Wageningen met als specialisme mycologie en voormalig directeur van het Biologisch Station van de UW te Wijster. Hij is (mede)auteur van diverse ecologische en mycologische standaardwerken, onder meer de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe (2015).

De negatieve invloed van door de mens geïnduceerde milieuveranderingen wordt in het rapport terecht uitvoerig besproken. Vooral de effecten van klimaatsverandering en de stikstofproblematiek komen uitgebreid aan de orde. De auteurs concluderen dat zonder wezenlijke vermindering van de stikstofdruk binnen bossen ‘geen duurzaam herstel of ontwikkeling van vitaal bos mogelijk is’. De rest van het rapport gaat echter over allerlei maatregelen om vitaal bos toch te verwezenlijken. Dit lijken dus zinloze inspanningen omdat er voor het overgrote deel van de bossen geen reëel uitzicht is op een forse reductie van de stikstofbelasting

Als een van de belangrijkste ecosysteemfuncties van bossen wordt het vastleggen van CO2 genoemd. De opslagcapaciteit voor CO2 in bossen zal kleiner worden als de aanbevelingen van dit rapport worden uitgevoerd.

Een rode draad in het hele rapport is een pleidooi voor (kunstmatige) menging van alle bossen, ook van bestaande opstanden met één boomsoort. Gesteld wordt dat er tenminste drie boomsoorten moeten voorkomen op perceelniveau. Deze benadering gaat er van uit dat het bos volledig maakbaar is, en moet zijn, alsof de autonome ontwikkeling door natuurlijke processen een verwaarloosbaar detail is, en kosten niet tegen ‘opbrengsten’ zouden moeten worden afgewogen. Bovendien is het streven naar gemengde bossen op veel standplaatsen onnatuurlijk. In veel stabiele bosecosystemen is van nature één boomsoort sterk dominant.

Menging zou de stabiliteit en weerbaarheid van bossen verbeteren, bijvoorbeeld tegen plagen. Dit verband is in de Nederlandse situatie onbewezen.

Biodiversiteit wordt in het rapport als een belangrijke ecosysteemdienst beschouwd. Het begrip wordt echter nergens gedefinieerd. De uitkomst hangt sterk af van de taxonomische groepen die erbij worden betrokken, van de compleetheid van het bostype, en van de schaal waarop diversiteit wordt bepaald. Bovendien kan biodiversiteit geen doel op zich zijn. Ook bostypen met een minder grote diversiteit hebben bestaansrecht en zijn door hun eigen karakter vaak waardevol.

Het nastreven van gemengde bossen kan op perceelniveau de ‘biodiversiteit’ weliswaar vergroten, maar kan leiden tot een vermindering van de diversiteit van bossen op de schaal van het landschap.

Er wordt in het rapport onevenredig veel aandacht beschonken aan restauratie van het lindenbos op droge, arme zandgronden. Het lindenbos groeide hier enkele duizenden jaren geleden evenwel onder geheel andere milieuomstandigheden, met name bij afwezigheid van stikstofdepositie, door mensen veroorzaakte verzuring en bosbouwkundige ingrepen. Daardoor is restauratie van dit bostype op de meeste plaatsen hoogst waarschijnlijk een utopie.

Omvorming van reeds bestaande bossen op droge, arme zandgrond naar lindenbossen vergt veel ingrepen in de boomsamenstelling en bodemchemie, is daardoor ingrijpend en kostbaar. Bovendien frustreert het de spontane bosontwikkeling en gaat het vaak ten koste van aanwezige, zich goed ontwikkelende, waardevolle bostypen.

De bestaande bossen op voedselarme, zure zandgronden worden in het rapport beschouwd als ‘mislukte’ bossen op door roofbouw verarmde gronden, die hoognodig moeten worden omgevormd tot soortenrijkere, beter functionerende bossen, zoals het lindenbos. Deze stellingname is aanvechtbaar. Bossen op voedselarme, zure zandgronden zijn grotendeels aangepast aan hun omgeving en waardevol zoals ze zijn. Het grote obstakel voor het bereiken van grotere natuurwaarden is hier de hoge stikstofbelasting en recente bodemverzuring, niet landgebruik in het verleden.

Er wordt in het rapport geen enkele aandacht besteed aan maatregelen om waardevolle bossen op voedselarme, zure zandgrond te behouden of te versterken. Dat is onterecht omdat ze in ons land veruit de grootste oppervlakte beslaan en veel natuurwaarden herbergen.

Het begrip ‘natuurbos’ wordt uitgehold door daar ook (sterk) door de mens beïnvloede bossen toe te rekenen. De auteurs menen zelfs dat de natuurlijkheid van bossen door menselijk ingrijpen wordt bevorderd. Deze nieuwe interpretatie van het begrip ‘natuurbos’ is misleidend, veroorzaakt begripsverwarring en lijkt slechts een marketingtruc om het draagvlak te vergroten voor de talloze voorgestelde ingrepen in bestaande bossen onder het valse motto: ‘Hoe meer we doen, hoe natuurlijker het bos!’

Er wordt gepleit voor introductie van oudbossoorten (kruidachtige planten) in bossen waar deze soorten nog niet of niet meer voorkomen. De argumentatie hiervoor is op z’n minst dubieus en er is geen enkele ecologisch doel mee gediend. Men zou deze floravervalsing juist moeten verbieden om verdere uitholling van het natuurlijke karakter van bossen te voorkomen en omdat de betreffende soorten geen sleutelrol vervullen binnen bosecosystemen. Ook de introductie van bodemorganismen is ongewenst.

Onder het mom ‘Geassisteerde migratie’ wordt in verband met de verwachte klimaatverandering bepleit om een groot aantal uitheemse boomsoorten te toetsen op hun geschiktheid voor de toekomstige Nederlandse situatie, met het doel die vervolgens aan te planten. Het is dus een eufemisme voor ‘introductie van exoten’. Gezien de beperkte voorspelbaarheid van klimaatsveranderingen en de lange levensduur van bomen is screening van geschikte soorten een bijkans onmogelijke opgave. Bovendien stemmen ervaringen met eerdere introducties, die nu als invasieve exoten worden beschouwd, niet optimistisch.

Een alternatief is om de aanpassing van de huidige bossen aan een veranderend klimaat aan het bos zelf over te laten, inclusief spontane vestiging van nieuwe soorten.

Het is opmerkelijk dat de opdracht voor dit rapport verstrekt is aan organisaties die betrokken zijn bij het organiseren en uitvoeren van bosbeheer. Dat is te vergelijken met het verlenen van een ministeriële opdracht aan Nederlandse varkenshouders om een strategie voor de toekomst van de varkenshouderij op te stellen. Een typisch geval van de slager die zijn eigen vlees keurt. De opbrengst uit particuliere bossen is al vele jaren gemiddeld negatief. Deze organisaties hebben belang bij het schetsen van een alarmistisch beeld van het Nederlandse bos en het opperen van talloze maatregelen om de situatie te verbeteren, in de hoop daardoor meer beheersubsidie te verkrijgen. Het resultaat is dat het voorgestelde palet aan maatregelen vooral gunstig zal zijn voor de houtoogst en zal leiden tot meer kaalkap en andere technische ingrepen in het bos en minder spontane ontwikkeling en natuurlijkheid. Dit zal de maatschappelijke weerstand tegen het gevoerde bosbeheer slechts versterken, hetgeen indruist tegen de aanvankelijke motivatie voor het opstellen van een Bossenstrategie.

Eindconclusie: Het rapport is geschreven vanuit één bepaalde bosideologie met dubieuze uitgangspunten, hypotheses en doelen. Het is gebaseerd op selectieve onderzoekresultaten en bevat veel aanvechtbare waardeoordelen, onzorgvuldigheden en tegenstrijdigheden. De voorgestelde maatregelen zullen niet resulteren in duurzamer bos met grotere natuurwaarden. Ze zullen daarentegen leiden tot meer kaalkap en andere ingrepen in het bos tegen hoge kosten voor de belastingbetaler. Daardoor is het rapport in deze vorm ongeschikt is als onderbouwing voor het Nederlandse bosbeleid. Het Nederlandse bos verdient beter.

lees hier het hele rapport